Tip melden 🔍 Zoeken

Opschaling en incidentcodes

Dagelijks vinden er incidenten plaats waarbij politie, brandweer en ambulance worden ingezet. Bij veel incidenten is de inzet van één of enkele hulpdiensten voldoende. Wanneer een incident groter of ingewikkelder wordt, moeten meerdere hulpdiensten en organisaties nauw met elkaar samenwerken.

Om de samenwerking en leiding goed te regelen, kan worden opgeschaald. Hiervoor wordt onder andere de GRIP-structuur gebruikt.

Wat betekent GRIP?

GRIP staat voor Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure. De procedure beschrijft hoe hulpdiensten, gemeenten en andere betrokken organisaties samenwerken bij grote of complexe incidenten.

Opschalen betekent niet alleen dat er meer voertuigen of hulpverleners worden ingezet. Het betekent vooral dat de coördinatie, informatievoorziening en leiding worden uitgebreid.

Er kan ook preventief worden opgeschaald. Bijvoorbeeld bij een dreigende overstroming, langdurige stroomstoring, extreem weer of een andere situatie waarbij nog geen groot incident heeft plaatsgevonden, maar wel uitgebreide voorbereiding nodig is.

GRIP 1

Bij GRIP 1 is coördinatie tussen verschillende hulpdiensten op de plaats van het incident nodig.

Er wordt een Commando Plaats Incident, afgekort CoPI, ingericht. In het CoPI zitten vertegenwoordigers van onder andere brandweer, politie, geneeskundige hulpverlening en bevolkingszorg.

Het team coördineert de werkzaamheden rond het incident en zorgt dat de betrokken diensten gezamenlijk optreden.

GRIP 2

Bij GRIP 2 heeft het incident ook gevolgen voor de omgeving of is uitgebreidere coördinatie op afstand nodig.

Naast het CoPI wordt een Regionaal Operationeel Team, afgekort ROT, actief. Dit team houdt zich onder andere bezig met de gevolgen buiten de directe incidentlocatie, informatievoorziening, communicatie en de inzet van regionale middelen.

GRIP 3

Bij GRIP 3 zijn de gevolgen van een incident of crisis vooral van bestuurlijk belang binnen één gemeente.

De burgemeester speelt een belangrijke rol bij de bestuurlijke besluitvorming en kan worden ondersteund door een Gemeentelijk Beleidsteam, afgekort GBT.

GRIP 3 betekent niet automatisch dat er al sprake is van een ramp. Ook bij een ernstige dreiging kan uit voorzorg worden opgeschaald.

GRIP 4

Bij GRIP 4 zijn meerdere gemeenten binnen dezelfde veiligheidsregio betrokken of worden gemeentegrenzen overschreden.

De voorzitter van de veiligheidsregio krijgt een coördinerende bestuurlijke rol en wordt ondersteund door een Regionaal Beleidsteam, afgekort RBT.

GRIP 5

GRIP 5 wordt gebruikt wanneer een ramp of crisis meerdere veiligheidsregio’s raakt.

De betrokken veiligheidsregio’s stemmen hun operationele en bestuurlijke aanpak met elkaar af. Eén veiligheidsregio neemt daarbij de coördinerende rol op zich.

Geen maatstaf voor de ernst

Een hoog GRIP-niveau betekent niet automatisch dat er veel slachtoffers zijn of dat een incident ernstiger is dan een incident met een lager GRIP-niveau.

Het GRIP-niveau zegt vooral iets over de benodigde samenwerking, coördinatie en bestuurlijke aansturing. Een incident zonder slachtoffers kan door de grote gevolgen voor de omgeving toch tot een hoge opschaling leiden.

Treinincidentscenario’s

Bij incidenten op of rond het spoor gebruikt ProRail treinincidentscenario’s, afgekort TIS. Deze scenario’s helpen om snel de juiste organisaties, hulpdiensten en functionarissen te alarmeren.

Er zijn vijf hoofdgroepen:

  • TIS 1: verstoring van de treindienst en ontsporing zonder slachtoffers;
  • TIS 2: brand;
  • TIS 3: ontsporing met slachtoffers of een botsing;
  • TIS 4: gevaarlijke stoffen;
  • TIS 5: verdacht gedrag, een verdacht object of een bommelding.

Iedere hoofdgroep kent verschillende gradaties. Hoe hoger het tweede cijfer, hoe groter of ingewikkelder het incident doorgaans is.

Een TIS-code staat los van GRIP. Bij een spoorincident kan naast een TIS-classificatie ook worden opgeschaald volgens de GRIP-structuur.

Incidenten op wegen

Voor incidenten op snelwegen en andere belangrijke wegen werken Rijkswaterstaat, politie, brandweer, ambulance, bergingsbedrijven en andere betrokken partijen samen binnen Incident Management.

Het doel is om:

  • slachtoffers veilig te helpen;
  • de incidentlocatie te beveiligen;
  • vervolgincidenten te voorkomen;
  • de weg zo snel mogelijk veilig vrij te maken;
  • verkeershinder zoveel mogelijk te beperken.

Afhankelijk van het incident kunnen speciale scenario’s en regionale afspraken worden gebruikt voor bijvoorbeeld brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen.

Incidenten op het water

Voor incidenten op vaarwegen werken onder andere de hulpdiensten, Rijkswaterstaat, waterschappen, havenbedrijven en andere vaarwegbeheerders samen.

Het kan bijvoorbeeld gaan om:

  • personen of dieren in nood;
  • een aanvaring;
  • brand of een explosie aan boord;
  • een gezonken of losgeslagen schip;
  • gevaarlijke stoffen;
  • verontreiniging van het water;
  • een stremming van de vaarweg.

Ook bij een vaarwegincident kan aanvullend volgens de GRIP-structuur worden opgeschaald.

Veelgebruikte afkortingen

CACO – Calamiteitencoördinator
CoPI – Commando Plaats Incident
GBT – Gemeentelijk Beleidsteam
GHOR – Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio
GMK – Gemeenschappelijke Meldkamer
HOvD – Hoofdofficier van Dienst
HV – Hulpverleningsvoertuig
MKA – Meldkamer Ambulancezorg
MMT – Mobiel Medisch Team
OvD-B – Officier van Dienst Brandweer
OvD-G – Officier van Dienst Geneeskundig
OvD-P – Officier van Dienst Politie
RAV – Regionale Ambulancevoorziening
RBT – Regionaal Beleidsteam
ROT – Regionaal Operationeel Team
RWS – Rijkswaterstaat
TIS – Treinincidentscenario
TS – Tankautospuit

Regionale verschillen

De precieze werkwijze, benamingen en inzet kunnen per veiligheidsregio en incident verschillen. Hulpdiensten kunnen bovendien flexibel opschalen en alleen de teams of functionarissen activeren die voor de betreffende situatie nodig zijn.

De meldkamer en de verantwoordelijke leidinggevenden bepalen welke opschaling en inzet noodzakelijk zijn.